Soms droom ik. Dan droom ik, niet zelden overigens, van het onderwijs. Het onderwijs waar ik van droom gaat uit van de kracht van de leerling. Positieve benadering, succeservaringen en een vruchtbare samenwerking staan dan centraal. In die droom is differentiatie (waarover in een later stadium meer) gemeengoed. In die droom ontwikkelen leerlingen zich tot burgers die mogelijkheden en kansen zien, in plaats van hobbels en bezwaren. Ze hebben geleerd dat als je een doel stelt, er meerdere manieren kunnen zijn om dat doel te bereiken. Dat je door samen te werken misschien niet altijd sneller dat doel bereikt, maar wel altijd verder komt. Deze leerlingen zullen later de mensen worden waar ik graag mee in gesprek ga, waar ik mijn gezondheid of auto, en zelfs graag dit land aan toevertrouw.

Als leraar kunnen we bijdragen aan deze mentaliteit. Een docent zet zich in om een sfeer te creëren waarin de leerling zich veilig voelt, maar ook waarin die leerling zich in wil zetten, wil leren. Wat wij van onze leerlingen terugkrijgen heeft uiteraard alles te maken met hoe wij ons opstellen naar onze leerlingen toe.

De dagelijkse praktijk bij veel MVT-onderwijs is dat de focus ligt op de fouten. We strepen ons wat af. En dat terwijl de vaardigheden centraal staan. Natuurlijk streven we naar een zo goed mogelijke beheering van het Engels, maar is dat ons hoofddoel? Soms denk ik wel eens dat het best de moeite zou kunnen zijn om, in plaats van ons te concentreren op de fouten die de leerling maakt, te kijken naar in hoeverre diezelfde leerling erin geslaagd is de boodschap over te brengen. Dat het toekennen van punten, in plaats van het tellen van fouten, wel eens een heel ander beeld zou kunnen opleveren. Dat de leerling die steeds geconfronteerd wordt met zijn fouten, nu eens ziet wat hij wel al goed doet. Wellicht gaat deze leerling met een heel ander gevoel naar huis. Komt hij met een heel ander gevoel de volgende keer jouw les binnen. Met vertrouwen en met de wil nog meer te kunnen, in plaats van de angst meer fouten te maken.

Deze week heb ik met een groepje studenten het volgende testje gedaan. De helft van de klas had ik buiten geïnstrueerd over wat ik wilde dat ze zouden doen. Ik heb ze niets verteld over het idee achter de oefening. Het volgende gebeurde: in tweetallen (een student met instructie gekoppeld aan een zonder) duwden ze met hun vuisten tegen elkaar. Op mijn teken, draaiden de geïnstrueerde studenten hun vuisten om, en vingen met open hand de duwende vuist van de ander op. Alle ogen draaiden vertwijfeld naar mij. Ik vroeg hen wat er gebeurd was. Zonder uitzondering hadden ze geconstateerd dat zodra de een zijn hand omdraaide, de ander stopte met duwen. Met andere woorden: zodra je weerstand opvangt en de ander voelt dat je er voor hem of haar bent, stopt de strijd en ontstaat een werkbare situatie. Met wederzijds vertrouwen.

Dát is toch onderwijs?