De oefeningentypologie van Neuner beschrijft de ideale opbouw van oefeningen in het (communicatieve) taalonderwijs, en onderscheidt in die opbouw 4 fasen. Deze fasen zijn opgebouwd van receptief, via reproductief naar productief. Ook bouwen ze op van gesloten naar open, en van voorspelbare naar onvoorspelbare oefeningen. Hieronder een korte omschrijving van elk van de fasen.

A: De oefeningen in deze fase zijn vooral gericht op receptieve taalvaardigheden. In deze zogenaamde semantiseringsfase staat het aanbieden van de taalmiddelen centraal. Dit wil zeggen dat de nadruk ligt op het begrijpen van teksten (zowel in gesproken als geschreven vorm). De vaardigheden zijn daarom met name luisteren en kijken.

B: In de B-fase worden de taalmiddelen ingeslepen. We noemen deze fase dan ook de consolideringsfase. Concreet gezegd wordt hier de taal (woorden, zinnetjes, grammaticale structuren) aangeboden en geoefend die nodig is om te kunnen communiceren in de doeltaal. De oefeningen zijn vaak sterk gestructureerd. Zelf spreken en schrijven komen voor het eerst aan bod.

C: De volgende fase biedt de leerlingen de ruimte om de taal die in de vorige twee fasen opgestoken is te gaan produceren en zo uitdrukking te geven aan eigen ideeën. De taalproductie in deze fase is nog gestuurd.

D: In deze laatste fase komen de leerlingen tot vrije productie van de taal, waarbij ze slechts weinig of zelfs geen hulpmiddelen meer aangeboden krijgen. Het doel is hier om echte communicatie tot stand te brengen.

[Let wel, de introductie (d.w.z. het activeren van voorkennis, motiveren, voorbereiden op wat er komen gaat en welke taalfuncties er aan bod zullen komen, plus het binnen een betekenisvolle context plaatsen van de oefeningen) gebeurt vóór deze fasen.]