1] Convergente differentiatie*:
De docent staat centraal. Hij legt uit of doet voor, oefent met de kinderen en laat hen daarna zelfstandig werken. Zwakkere leerlingen krijgen extra ondersteuning (verlengde instructie). Snellere leerlingen hebben verdiepingsmateriaal tot hun beschikking. De docent zorgt ervoor dat het minimumdoel door alle leerlingen gehaald wordt.
Zorgleerlingen zouden bij deze verlengde instructie wel moeten varen. Zij worden immers minder aan hun lot overgelaten. De verschillen tussen je leerlingen worden kleiner.

2] Divergente differentiatie:
De leerling en zijn leerproces staat centraal. De docent stelt zich tot taak om als begeleider zoveel mogelijk aan te sluiten bij de individuele behoefte en het niveau van de leerling. Het risico is hierbij dat de verschillen tussen de niveaus groter worden. Waarschijnlijk komt dit doordat de instructietijd per leerling verkort wordt. Met name de zwakkere leerling lijdt hieronder.
Digitale media lenen zich bij uitstek voor divergente differentiatie zonder dat het de resultaten nadelig beïnvloedt. Hierover, onder het kopje e-learning, later meer.

3] Interne differentiatie:
Differentiatie vindt plaats binnen een groep. De docent kiest ervoor om deze klas in te delen in homogene of heterogene groepen. Met name het effect van intern differentiëren in heterogene groepen is positief: de zwakkere leerlingen varen er wel bij en de sterkere leerlingen lijden er niet onder.

4] Externe differentiatie:
De leerlingen zijn op basis van bijvoorbeeld begaafdheid, interesse, prestaties of leerstijl ingedeeld in verschillende klassen. Dit is de situatie na de brugklas op veel scholen in Nederland. Het is echter een misvatting om te denken dat je in deze situatie het leerproces van je leerlingen niet meer extra zou ondersteunen door intern te differentiëren.

[*Zie voor het belang van differentiatie Differentiatie 101 part 1 – waarom?]