Goed, we hebben nu zowel de theorie als de achtergrond over differentiatie gelezen. We zien de meerwaarde, willen het uitproberen. Maar dan? Hoe nu verder? Hieronder hoop ik concrete handvatten te bieden over hoe je een les gedifferentieerd in kunt richten.

Niveau:
Zoals gezegd, differentiëren we meestal op niveau. Niets mis mee natuurlijk. Dit zou je kunnen organiseren door bijvoorbeeld met een kleurencode voor je extra oefenmateriaal te werken. Hoe donkerder de kleur blauw, hoe uitdagender of complexer de oefeningen, bijvoorbeeld. Je kunt ook differentiëren door je leerlingen te laten kiezen of ze bepaalde hulpmiddelen (een rijtje onregelmatige werkwoorden, een schematisch overzicht van de werkwoordstijden) er wel of niet bij willen houden. Je kunt het huiswerk aanpassen aan de behoefte van de individuele leerling.

Leerstijl:
Als we gaan differentiëren op leerstijl, ligt het voor de hand om bijvoorbeeld te variëren tussen het inductief (denker) en deductief (beslisser) aanbieden van nieuwe stof. Grammatica leent zich hier zeer goed voor. Als je bij het behandelen van dezelfde grammatica meer mens- of cultuurgericht bezig bent, bijvoorbeeld met de context, of als je ze verschillende werkwoordsvormen laat ervaren, kom je tegemoet aan de wensen van de dromer. De doener vaart wel bij veel actie en experimenteren. Hij wil uitgedaagd worden en werkt graag in een groep. Sfeer is belangrijk. Competitie-elementen sluiten hier mooi bij aan. Wie heeft het eerst deze oefening helemaal af? En correct?

Meervoudige intelligenties:
Je kunt je leerling deze opdracht geven: laat het verschil zien tussen de present simple en de present continuous. Hoe ze dat laten zien is vervolgens aan hen. Geef helder aan wat je verwacht (een duidelijk onderscheid tussen de twee, een product dat gepresenteerd kan worden, samenwerken of individueel) en wanneer het klaar moet zijn. Geef voorbeelden van hoe ze de opdracht in kunnen vullen. Zorg er voor dat ze naar buiten kunnen, kunnen tekenen of op een PC aan de slag kunnen. Begeleid hen in hun proces, en verwonder je over hun creativiteit. [A1-A2]

Ook in instructie kun je variëren. Na de groepsinstructie kun je de leerlingen die willen, in subgroepjes of individueel, extra instructie bieden. Of ze elkaar die instructie laten geven. Dit kan op papier, mondeling, door zaken aanschouwelijk te maken. De mogelijkheden zijn eindeloos. In elk geval verleng je de instructietijd voor hen die daar behoefte aan hebben. Daarnaast kun je er voor kiezen je opdrachten vrij te houden (zoals hierboven), of juist meer geleid te maken.

Een voorbeeld:
“Je gaat deze les op het internet informatie te zoeken over het Britse Koningshuis.
1] Plan eerst hoe je dit aan gaat pakken. Welke sites ga je bezoeken? Welke zoektermen ga je gebruiken? Wat weet je al over het koningshuis? Wat zou je graag willen weten? (vijf minuten).
2] Verzamel informatie die je op in elk geval twee verschillende sites én in minstens een relevant filmpje gevonden hebt (twintig minuten).
3] Vat de gegevens die jij interessant vond in minimaal 100 en maximaal 150 eigen woorden samen ( max. tien minuten).
4] Praat over wat je ontdekt hebt met zeker twee klasgenoten (vijf minuten) en zorg dat je ook wat van hen leert (vijf minuten).
5] Stuur vervolgens een tweet naar je docent over wat jij van deze les mee neemt over het koningshuis van Groot-Brittannië (vijf minuten).
6] We sluiten af met een klassendiscussie over wat we geleerd hebben van deze opdracht.” [A2-B2]