Differentiatie is zo langzamerhand hét toverwoord in het onderwijs. In Nederland lijken we het maar niet voor elkaar te krijgen om op grote schaal, structureel gedifferentieerd les te geven. Tegelijkertijd is diezelfde differentiatie in bijvoorbeeld Finland, mede door de organisatie van het schoolsysteem (peruskoulu), niet weg te denken. Als je Nederlandse docenten vraagt wat hun ideaal is in hun eigen onderwijs, zeggen velen van ons dat we het liefst ons onderwijs dusdanig willen organiseren dat we zo goed mogelijk recht doen aan elke individuele leerling. De behoefte aan differentiatie wordt dus gevoeld. Uit de cijfers blijkt ook nog eens dat het effect heeft.

Als we differentiëren vormen we vaak subgroepjes in de klas. Onderwijs dat verzorgd wordt in kleinere groepen heeft niet alleen een positief effect op het sociaal functioneren van de leerlingen. Het heeft ook een positief effect op hun resultaten. Deze resultaten zijn gemiddeld nog gunstiger als de subgroepen homogeen naar prestatieniveau zijn samengesteld. Voor de leerlingen die meer ondersteuning nodig hebben, geldt echter dat heterogene groepen hen het meest helpen. Het is voor we beginnen met differentiatie uiteraard van belang dat we de beginsituatie vaststellen. Als we deze stap over slaan, wordt ons differentiëren in zekere mate willekeurig en dus minder effectief. We zullen daarnaast met enige regelmaat de voortgang van de leerlingen moeten controleren.

Door te differentiëren bieden we onze achterstandsleerlingen bij uitstek de kans om iets van hun achterstand in te lopen. Het is belangrijk dat we ons realiseren dat differentiëren niet alleen voor de ‘zwakkere’ leerlingen bedoeld is. Door bijvoorbeeld te korten op de oefen- en herhalingsstof kunnen we juist aan de behoeften van de ‘sterkere’ leerlingen ten goede komen. Het gaat er immers om dat de leerdoelen die we gesteld hebben gehaald worden. De tijd die vrij komt door minder onnodig te oefenen kan ingezet worden om het leerproces van deze snellere leerlingen te verrijken. Dat betekent niet dat ze meer van hetzelfde moeten doen, in tegendeel. Dat zou immers slecht zijn voor hun motivatie. Daag ze uit om meer te wíllen weten, om te willen ontdekken. Probeer hun creativiteit aan te spreken. Onze leerlingen vragen namelijk niet alleen om differentiatie, maar ook om variatie in die differentiatie.

Bij differentiatie denken we vaak aan differentiatie op niveau, maar er zijn veel meer mogelijkheden. Wat te denken van differentiatie op leerstijl, bijvoorbeeld? Of op interesse? Op de meervoudige intelligenties van Gardner? Op tempo? Op instructie? We kunnen zowel intern (binnen een groep) als extern differentiëren. Ook is het belangrijk dat we ons realiseren dat differentiëren kan door verschillende stof aan te bieden, door in activiteit te variëren, door verschillende beoordelingscriteria te gebruiken, etc. Er zijn zoveel verschillende vormen van differentiatie, dat je je bijna af gaat vragen waarom er nog zo weinig aan gedaan wordt…

Wat differentiatie betreft, maar ook wat activerende didactiek betreft, kijk ik wel eens stiekem verlekkerd naar het basisonderwijs. Hier zijn deze onderwijsconcepten al veel meer ingeburgerd dan in het VO. Misschien kunnen we eens samen om de tafel gaan zitten en van elkaar leren? Dan kunnen we meteen die doorlopende leerlijn voor Engels organiseren 😉