1 Januari 2013. Ik knipper nog eens met mijn ogen. Het staat er echt.  Tweeduizenddertien. En toch wordt er nog grotendeels lesgegeven op de manier waarop ik, in de jaren ’90 van de vorige eeuw, zelf les kreeg: veel frontaal, weinig activerend, nauwelijks gebruikmakend van de vele tools die beschikbaar zijn en vooral, nog steeds te weinig aansluitend op de belevingswereld van de jongeren van nu.

We leiden op voor het jaar 2020 en ver daarna. Natuurlijk is het onmogelijk te voorspellen wat er dan allemaal mogelijk zal zijn, maar het lijkt mij wel een reden om minder huiverig te zijn om nu alvast te experimenteren en open te staan voor vernieuwing. De wereld verandert. Steeds sneller. Steeds meer. Steeds drastischer. Waar ik, nou niet bepaald stokoud, tijdens mijn middelbare schooltijd nog niet van internet gehoord had, zie ik nu de kleine van 3 bij vrienden van me op een iPad spelen alsof het de normaalste zaak van de wereld is. En het grappige is, dat ís het ook! We moeten mee bewegen. Dat geldt voor de samenleving, maar in nog veel sterkere mate voor het onderwijs. Wij leiden die jeugd immers op. Het zou een soort van kapitaalvernietiging zijn als we ze niet in hun belevingswereld weten te bereiken, hun taal leren spreken en hen uit weten te dagen.

We staan er gelukkig niet alleen voor. Er zijn immers talloze (hulp-)middelen waarover we kunnen beschikken of die we in kunnen zetten. Niet per se alleen digitale, overigens. Wat te denken van de informatie die de vele onderzoeken die gedaan zijn op het gebied van hersenontwikkeling ons oplevert? Of de vele boeken die jaarlijks verschijnen op het gebied van activerende didactiek? Wat te denken, vooral, van onze eigen creativiteit, van samenwerking en van onze dagelijkse inzet voor dit mooiste beroep ter wereld?

Met zoveel bronnen tot onze beschikking, moet dat wel goed komen, toch? Ik knipper nog maar eens. Ik heb er een rotsvast vertrouwen dat als ik ze open doe, een dezer dagen, er veel veranderd zal zijn.