Professor Jan Derksen heeft op 29 december 2012 heel wat teweeg gebracht met zijn [ingezonden brief] en [vervolginterview], enkele dagen later, in de Volkskrant. Velen waren verontwaardigd. Nog meer mensen waren bezorgd. Een enkeling gaf hem gelijk. Ik schaar mij in de laatste groep, maar wel met enkele kanttekeningen.

Hoorcolleges zíjn niet meer van deze tijd, dat klopt. Dat bewijst de door Derksen treffend beschreven praktijk dagelijks. Voor de “etende-drinkende-gapende-Whatsappende-CrazyBirdsende” student lijkt het moeilijk te zijn om in een maatschappij waarin alles “nu” beschikbaar is, langere tijd, onafgebroken te moeten luisteren naar wat de docent voorin de klas vertelt. Zeker als die docent geen actieve houding vraagt en de geboden informatie ook in boeken of online terug te vinden is. Natuurlijk weet ik dat er ook vandaag de dag studenten zijn voor wie de hoorcolleges juist wel voldoen, maar we kunnen niet ontkennen dat er velen zijn die soms zelfs nog tijdens de colleges via Twitter (#saai?) & Facebook hun ongenoegen uiten, of de plannen voor het weekend smeden. Vaak zelfs hardop.

Moet de student nu dus zijn houding veranderen, of de docent zijn college? De wortel van het probleem zit volgens mij in het feit dat onderwijs en leerling/student zich niet synchroon met elkaar ontwikkeld hebben. Waar (hoger) onderwijs zich traag ontwikkelt en nog veel gelijkenissen vertoont met het onderwijs van decennia geleden, geldt dat voor de samenleving niet. Smartphones en iPads, Twitter en Facebook, digitale tv en elektrische fietsen. Wie had daar tien jaar geleden van gehoord? De studenten en leerlingen die wij tegenover ons vinden weten echter niet beter. Dat betekent dat wij mee zullen moeten. Hen zaken vertellen die ze via Google en Wikipedia in 4 seconden ook kunnen vinden voldoet niet. We moeten ze  bij de les betrekken. Ze activeren. Uitdagen. De leerstof voor hen relevant en betekenisvol maken. Hen laten werken met de hulpmiddelen die beschikbaar zijn en waarvan verwacht wordt dat ze die zullen beheersen als ze dadelijk aan hun carrière beginnen. Het is aan ons ze te laten zien hoe ze met die beschikbare bronnen van informatie om dienen te gaan. Wij moeten dus meedoen, meegaan, meebewegen. Zodat zij verder kunnen komen.

Let wel: dat hoorcolleges in sommige situaties hun beste tijd misschien gehad hebben en dat het online aanbieden van onderwijs mogelijk is, betekent natuurlijk nog niet dat colleges an sich passé zijn. Laat staan dat het zou betekenen dat al ons onderwijs nu online moet. In tegendeel. Onderwijs draait om en valt of staat met contact en interactie*. Dat geldt in de klas of collegezaal, en – verrassend genoeg – net zozeer waar het e-learning betreft. (Over e-learning in een later stadium meer.) Dat contact vindt plaats tussen docent en lerende, maar ook tussen de lerende en zijn of haar leerstof. We lijken in de door Derksen veroorzaakte discussie over het hoofd te zien dat het hoorcollege slechts één van de vele beschikbare uitvoeringsvormen van onderwijs is. Wat te denken van werkcolleges, werkgroepen of projectonderwijs, bijvoorbeeld? Het zijn stuk voor stuk zeer bruikbare alternatieven die de leerling (of student) dwingen om actief aan de gang te gaan met de lesstof. Hierbij mogen ze allerlei hulpmiddelen inschakelen, en wordt de leerstof betekenisvol gemaakt. Ze kunnen dan niet meer slechts consumeren, maar moeten participeren.

Wij moeten onze leerlingen en studenten uit weten te dagen. En dus, eerst, onszelf.

[*McKinsey rapport, september 2007]