We willen allemaal de vaardigheden wel eens op een andere manier aan bod laten komen in de klas dan middels de standaard luisteroefening of de gesprekjes uit de leergang. Door je leerlingen op een creatieve manier uit te dagen kun je je vaardigheidslessen niet alleen afwisselend maar ook leuk maken. In een eerdere post had ik het al over enkele spellen die je zo in de winkel kunt kopen en die je voor de vaardigheden in kunt zetten. Hier volgt een follow-up op dat bericht.

Aye Dark Overlord is een spel waarvan de regels waarschijnlijk een beetje aangepast zullen moeten worden om goed te werken in een klassituatie. Het idee is dat enkele goblins op missie gestuurd zijn, maar dat hun missie gefaald is. Zij staan tegenover de Goblinkoning en moeten proberen de andere goblins de schuld in de schoenen te schuiven van het falen van de missie. Wat de missie precies was, wordt – net als hoe de goblins elkaar de schuld in de schoenen gaan proberen te schuiven – bepaald door de kaarten die getrokken worden. De spelers creëren zo een letterlijk ‘fantastisch’ verhaal, waarbij ze goed naar elkaar moeten luisteren om eventuele gaten in het verhaal te ontdekken. Anders kunnen ze immers niet proberen de schuld die hen in de schoenen geschoven is weer richting een ander te schuiven. [B1-C2]
Natuurlijk zijn er ook veel mogelijkheden om de kaarten van dit spel in te zetten bij bijvoorbeeld schrijfvaardigheid of grammatica. [A2-C2]

Informatiekloof-oefeningen dienen om de leerlingen met elkaar te laten communiceren. Het doel is immers om de informatiekloof tussen de twee leerlingen te dichten. Door een competitie-element toe te voegen, kun je ook hier een spelvorm van maken. Een bekende informatiekloofoefening is die waarbij twee leerlingen elk een onvolledig rooster of overzicht krijgen. Door vragen aan elkaar te stellen, komen zij erachter wat er in de gaten zou moeten staan. Maar andere opties zijn natuurlijk ook mogelijk. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken aan een plaatje dat een van de twee heeft, en de ander met behulp van de aanwijzingen die hij/zij krijgt moet proberen na te tekenen. [A1-A2]

Say Anything [B1-C2]

Voor een Folding Story heb je weinig nodig en ook het idee zelf is simpel: een leerling krijgt een beginzin en schrijft een vervolgzin. Daarna vouwt hij het papier en geeft het papier door aan een volgende leerling. Voor deze leerling is door de vouw alleen de door zijn voorganger geschreven vervolgzin leesbaar. Op basis van alléén die vervolgzin schrijft de nieuwe leerling een zin. Ook deze leerling vouwt vervolgens zijn papier dusdanig dat ook zijn opvolger alleen de laatste zin kan lezen. Enzovoorts. Uiteindelijk ontstaat zo een – waarschijnlijk bizar – verhaal. Folding Stories zijn makkelijk aan een hoofdstuk uit de leergang te koppelen of aan grammaticaonderdelen. En mocht je verlegen zitten om goede openingszinnen, kijk dan eens op de website. [A1-B1]

Een ander spel – ik noem het “What’s My Sentence?”– dat weinig voorbereiding vereist is het volgende: In teams van twee of drie krijgen je leerlingen de opdracht om in één minuut een verhaal te verzinnen. Ze krijgen echter ook een zin – bijvoorbeeld een uitdrukking of een zegswijze (“It missed my head by only an inch” of “They almost caught me red-handed”) – die ze in dat verhaal moeten verwerken. Het is vervolgens aan het andere team om te raden welke zin de opdrachtzin was. Je zou in plaats van zinnen ook kunnen kiezen voor citaten. Die citaten kunnen dan weer uit liedjes komen (“No he can’t read my poker face.”), uit het nieuws (“Yes, we can!”), van beroemde mensen of historische figuren (“I have a dream.”). Als het andere team kan raden van wie de uitspraak afkomstig was, scoort het een bonuspunt. [A2-B2]

Nanofictionary is een leuk vlug spelletje. Nanofictie, het woord zegt het al, gebruik je als je het hebt over extreem korte verhalen van 55 of minder woorden. Toch hebben al deze nanoficties dezelfde ingrediënten die een langer verhaal heeft: er zijn personages, er is een setting en er is een conflict en een oplossing. Het is aan onze leerlingen om van elk van de vier categoriën een kaart te nemen en vervolgens een verhaal te fabriceren. Dat kan natuurlijk zowel mondeling als op papier. Mede doordat de verhalen niet lang hoeven te zijn, is dit ook in de onderbouw goed bruikbaar. Je zult dan wel wat kaarten uit het spel moeten halen. [A1-B2]

Andere ideeën betreffende hoe je spellen in kunt zetten in de klas vind je bijvoorbeeld hier of hier.