De wet van Zipf:
Kort samengevat stelt Zipf dat er een klein aantal woorden in elke taal is dat heel veel gebruikt wordt. Je kunt je als leerder van die taal daarom met een betrekkelijk kleine woordenschat al snel redelijk redden.

Receptief vs productief:
Onze leerlingen hoeven daarnaast niet alle woorden op dezelfde manier te kennen. Van een groot aantal woorden is het immers voldoende als ze ze receptief beheersen (luisteren, lezen). Door hier rekening mee te houden kunnen we bovendien de leerlast van onze leerlingen verkleinen. Zij kunnen zich immers focussen op de woordenschat die ze productief (schrijven, spreken) moeten kennen.

Compenserende strategieën:
Waarom het aanleren van en trainen met compenserende strategieën in dit kader belangrijk is heeft weinig uitleg nodig. Als de woordenschat van een leerling/e niet toereikend is, heeft hij/zij immers handvatten nodig om de taalproductie niet te laten stokken. We kunnen in dit kader denken aan:
1] overkoepelende termen (‘vegetable’ ipv ‘eggplant’)
2] contrasterende woorden (‘not heavy but…’)
3] beschrijving van bijvoorbeeld kleur, grootte, functie, etc
4] chunks – variabel inzetbare korte stukken van zinnen (‘as far as…’) – en stopwoordjes
5] handen en voeten, gebruik maken van derden

Cyclische herhaling:
Onder cyclische herhaling verstaan we dat thema’s (in bijvoorbeeld de leergang) terugkomen, maar dan wel steeds op een moeilijker niveau. Op deze manier kun je steeds aansluiten bij het hogere niveau van de leerling en zo het mentale lexicon versterken en uitbreiden. Door cyclische herhaling toe te passen herhaal en automatiseer je sowieso. Als we de leerlingen dan ook nog met de woorden aan het werk zetten (handelen), het liefst in een taakgerichte setting, leren ze op een effectieve manier.

Relevante (authentieke) context:
Door woorden – zeker de eerste keer – in (liefst meerdere & verschillende) context(en) aan te bieden, maken we het leren rijker. Onze leerlingen zien dan bijvoorbeeld meteen hoe het woord gebruikt wordt. De context geeft daarnaast betekenisaanwijzingen, maakt koppelen aan eerdere kennis mogelijk en heft eventuele ambiguïteit op. Als we er dan ook nog in slagen die context relevant (aansluitend bij de belevingswereld) maken, en authentiek te houden, verrijken we het leren nog meer.

Pregnante vs niet-pregnante voorbeeldzinnen:
Een pregnante voorbeeldzin is een zin waarin het woord dat je duidelijk wilt maken eigenlijk maar één ding kan betekenen. Dit is soms minder makkelijk dan het lijkt. Vergelijk deze twee voorbeelden:
‘John likes sports. He plays football every Friday.’
Football is a game in which two teams of eleven players try to kick a ball past the keeper in the other team’s goal.’

A-talig, eentalig of tweetalig:
Je kunt op verschillende manieren de betekenis van woorden duidelijk maken. Soms is het gebruik van taal daarbij niet eens nodig. Door plaatjes te laten zien, iets voor te doen, een voorwerp mee te nemen of het uit te beelden, kun je vaak al veel bereiken. [A-talig]
Voorbeelden van hoe je woorden via eentalige technieken duidelijk kunt maken zijn – naast context en compenserende strategieën de regel van drieën (‘A man has a foot, a dog has a paw.’), een synoniem geven (‘hilarious’ – ‘funny’) of een woord afleiden (‘signature’ – ‘to sign’)
Door te vertalen of te verwijzen naar leenwoorden kun je tenslotte op een tweetalige manier de betekenis laten zien.

Vester test:
Aansluitend op het voorgaande, is het wellicht interessant om met onze leerlingen de Vester-test te doen. Hierbij stellen we onze leerlingen in staat om te ontdekken of zij het beste leren door te lezen, te luisteren, te zien of een combinatie van de drie. Het werkt eenvoudig: je neemt veertig woorden en verdeelt deze in vier sets van tien. Bij de eerste tien zeg je niets, maar laat je het woord zien. Vervolgens verstoor je (dmv sommen oid), en geeft daarna je leerlingen een minuut om de woorden op te schrijven die ze nog weten. Daarna lees je de volgende tien woorden voor, zonder visuele ondersteuning. Weer verstoren, weer die minuut. Dan laat je de volgende tien voorwerpen zien, dit maal zonder tekst en zonder auditieve ondersteuning. Bij de laatste tien combineer je de drie bovenstaande methodes. Welke methode leverde het beste resultaat op? Dan is dat waarschijnlijk je voorkeursleerstijl. Als wij vervolgens variëren in hoe we de woorden aanbieden, bedienen we hen allemaal. Bovendien trainen we ook nog eens de leerstijlen die (nog) geen voorkeur hebben.